Voorwoord

Mijn kennismaking met Hakkō Ryū Jūjutsu was in het jaar 2000, toen ik als twaalfjarige aansloot bij de Anjin Ryūmei dōjō te Vorselaar. Een kleine vijfentwintig jaar later werd mijn loopbaan bekroond met de titel van shihan, of “meester-instructeur” 1 . Dit boek heeft als doel mijn verzamelde kennis te bundelen; het schrijfproces hielp me meteen om mijn gedachten te ordenen. Het bevat informatie uit diverse publicaties, maar vooral inzichten die ik gedurende mijn carrière heb opgedaan.

De doctrine van Shodai Sōke Okuyama Ryūhō bereikte mij via Shihan Fred Horemans. Hij trainde op zijn beurt met onder meer de Shihans Irie, LaMonica, Garcia, andere rechtstreekse leerlingen van Shodai Sōke, en mocht Nidai Sōke ontmoeten. Die rijkdom aan kennis mag niet verloren gaan. Wat je hier kan lezen is het resultaat van een jarenlang proces. Het bundelt mondelinge overdracht en de zeldzame publicaties over Hakkō Ryū tot een geactualiseerd beeld van de overlevering. Achteraan vind je een bibliografie om je op weg te helpen naar andere interessante bronnen.

Waarom sprak Hakkō Ryū mijn jeugdige zelf zo aan? En wat gaf me steeds weer de drijfveer om verder te blijven gaan? Hoewel ik het aanvankelijk nauwelijks besefte, moet het ongetwijfeld de humanistische en vredelievende boodschap van Shodai Sōke zijn. Zonder meer is dit het belangrijkste en meest onderscheidende kenmerk van de stijl. Als je ’s mans levensloop bekijkt, mag dat nauwelijks verbazen. Hij was getuige van de gruwelijke Tweede Wereldoorlog, en moest zelf vluchten voor op burgerlijke infrastructuur gerichte bombardementen door de Amerikanen. Dergelijke bombardementen noemen we tegenwoordig oorlogsmisdaden.

Hakkō Ryū erkent dat een confrontatie (nog) voor daadwerkelijk handgemeen begint. En dat je in de meeste gevallen een potentieel gevaarlijke situatie kunt vermijden door tijdig te de-escaleren. Door jezelf snel en discreet uit een conflict te verwijderen, kun je erger voorkomen. In plaats van primitieve fysieke dominantie draagt de beoefenaar discretie, wijsheid en zelfvertrouwen hoog in het vaandel.

Dit laatste leidt soms tot weinig productieve discussies over wat “een echt gevecht” is. Meestal in een context van macho-gedrag, waarbij men alle vormen van confrontatie gelijkstelt aan een hypothetisch kooigevecht. In werkelijkheid bestaat er een verscheidenheid aan mogelijke confrontaties: een meningsverschil op het werk, gevaarlijk gedrag in het verkeer, een vuile blik in de kroeg, halfslachtig duw- en trekwerk, noem maar op. In onze beschaafde maatschappij is een fysieke worsteling eerder de uitzondering, gelukkig maar. De wereld van de budō (en daarbuiten) biedt een brede waaier aan disciplines, elk gericht op andere omstandigheden. Hakkō Ryū richt zich op de niche van de moderne samenleving, met zijn wetten, rechten, plichten en overwegend kleine conflicten (wat niet wegneemt dat escalatie in uitzonderlijke gevallen mogelijk blijft). Iemand die gefascineerd is door het eerder genoemde kooivechten zal beter zijn gading vinden bij een MMA-club. Daar is niets mis mee, en vice versa.

Onze zelfverdediging richt zich op het minder spectaculaire en het meer alledaagse. We willen een gezonde mentaliteit aanwakkeren, binnen een geciviliseerd kader: eerst de-escaleren, dan ontsnappen, en als laatste redmiddel controleren. We willen ons laten leiden door ons verstand, boven de emotie van het moment. We willen een bescheiden maar assertief zelfvertrouwen cultiveren om te groeien met de zelfrelativering en discipline die levenslange toewijding aan de budō vereist.

Shodai Sōke baseerde zijn systeem op Daitō Ryū Aiki Jūjutsu, wat in de eerste helft van het curriculum zeer goed zichtbaar is. Daarbovenop komt later de combinatie met drukpunten uit shiatsu. De sociaal-historische context waarin hij dit deed, is uiterst interessant. Hij werd geboren in het prille begin van de twintigste eeuw, slechts een slordige vijftig jaar nadat zijn land uit honderden jaren van totaal isolationisme kwam. De plotse confrontatie met de toenmalige westerse moderniteit was een grote maatschappelijke schok voor veel Japanners. Erg verbazend is het dan ook niet dat zijn tijdgenoten soms sterk vasthielden aan traditionele waarden. Legio zijn de verhalen van Daitō Ryū-leraars die in naam van geheimhouding hun ervaring meenamen in het graf, of erger nog: bewust foute informatie verspreidden (spijtig genoeg lijkt dit dekselse virus ook doorgedrongen te zijn bij sommige Hakkō Ryū-sensei – wat uiteindelijk enkel tot collectieve verarming kan leiden).

Van shiatsu, de andere traditie waaruit Hakkō Ryū put, is de geneeskrachtige werking niet wetenschappelijk aangetoond. Vergeet evenwel niet het tijdsgewricht waarin hij zich bevond, waarin antibiotica niet eens ontdekt waren; ook westerse geneeskunde heeft sinds die tijd een enorme, weliswaar empirisch onderbouwde, evolutie doorgemaakt. In zekere zin lijkt de (veronderstelde) werking van shiatsu op die van onze osteopathie: oorspronkelijk schreef men aan beide allerlei geneeskrachtige eigenschappen toe. Die claims zijn inmiddels ontkracht, maar als massagetherapie worden ze nog wel beoefend.

Ogenschijnlijk schuilt hierin een tegenspraak: hoe kunnen we een techniek erkennen waarvan we de fundamenten als archaïsch beschouwen? Maar net door het debat op een serene manier aan te gaan, kunnen we concluderen dat het er niet is. We kunnen alles wat we doen verklaren met actuele kennis van het zenuwstelsel, anatomie en krachtenleer. Energetische metaforen (ki) zijn in deze interpretatie eerder didactische abstracties. De erfenis van Shodai Sōke was de evolutie van zijn wetenschap. Misschien zijn we het hem verschuldigd datzelfde te doen en aan onze eigen erfenis te bouwen. De oorspronkelijke aanpak was een reactie op de tijdsgeest, en daarmee moeten ook wij evolueren: budō als een levende traditie. Bovendien strookt de oorspronkelijke leerwijze — een leerling die geleidelijk wordt ingewijd in de geheimen van de stijl — niet meer met onze moderne verwachting van volledige transparantie. Daarom vind ik het tijd om kennis op een hedendaagse, gestructureerde manier te delen.

Dan nog dit: er bestaat geen alternatief voor rechtstreekse overdracht van leraar op leerling in de dōjō. Dit boek vervangt het praktijkonderricht niet, maar vult het aan. Laat het boek je uitnodigen om na de training even stil te staan en na te denken over waar de School van het Achtste Licht voor staat.

Tot slot mijn uitdrukkelijke dank aan Senseis Luca Verbeeck (nidan), Lies Marien (shodan), Demi Verleysen (shodan) en Kobe Kempenaers (shodan) voor hun medewerking.

Kono hon ga sukoshi demo o-yaku ni tatereba saiwai desu
31 mei 2026
Wouter-Sensei