Hoofdstuk 3
Geschiedenis
Het jaar 1941. Op dat moment, ver van het strijdgewoel van de Tweede Wereldoorlog, richt Okuyama Ryūhō in Tokyo een nieuwe bujutsu-stijl op: Hakkō Ryū. De naam betekent letterlijk “School van het Achtste Licht”. Ze moet een nieuw licht doen schijnen op de traditionele Japanse krijgskunsten, en wordt in de komende decennia volwassen met een humanistische filosofie van de-escalatie. Vandaag de dag is Okuyama niet meer onder ons, maar zijn erfenis is springlevend, van Japan tot Europa en Amerika.
Ook ikzelf ben zowel een deel als een product van die erfenis. Mijn eigen reis begon pas veel later, in het jaar 2000. In dit hoofdstuk neem ik je mee doorheen de geschiedenis die eraan voorafging: wie was Okuyama Ryūhō, wat was zijn inspiratie, en hoe ontwikkelde Hakkō Ryū zich tot wat het vandaag is? Om het “waarom” beter te begrijpen zullen we ook de context van de Japanse samenleving in die tijd verkennen: een fascinerende periode van snelle modernisatie en culturele botsingen. Tot slot breng ik graag de nodige nuance aan, waar de canon-vertellingen soms tekortschieten.
3.1 Een kruispunt
Hoe in het begin van de twintigste eeuw krijgskunst en geneeskunde bij elkaar komen.
Hakkō Ryū Jūjutsu is een vorm van budō die in 1941 ontstond. De
grondlegger van de stijl, Okuyama Ryūhō, behoorde volgens de
overlevering tot de Genji, een oud geslacht van bushi, oftewel krijgers.
Figuur 3.1: Portret van
Okuyama Ryūhō
Okuyama Yoshiji komt op 21 februari 1901 ter wereld in Murayama, een stad op het centrale Japanse eiland Honshū. Als kind is hij vaak ziek, en zijn ouders zoeken hun toevlucht bij traditionele genezers. Dit beweegt de jonge Okuyama ertoe om later in hun voetstappen te treden en zijn lotgenoten te helpen.
Voor het zover mag komen volgt hij een meer werelds traject. Op zesentwintigjarige leeftijd behaalt hij na drie jaar zijn diploma aan de Tōkyō Seiji Gakkō, een prestigieuze school voor politieke wetenschappen. Dit levert hem overigens een breed netwerk van contacten op, iets wat later van pas zal komen. Hij blijft tot aan de oorlog politiek actief, trekt door het land, geeft lezingen en publiceert een aantal essays. Een aantal van deze laatste zijn nog te lezen in zijn autobiografische reisdagboek. Over deze periode is verder weinig bekend.
Om de keuzes van Okuyama te begrijpen is de bredere historische context onmisbaar. In de zeventiende eeuw wordt Japan, na een meer dan tweehonderdjarige reeks burgeroorlogen, herenigd in het Tokugawa-shogunaat — een tijdperk van strikt isolationisme dat duurt tot in de negentiende eeuw. Pas in de jaren 1850 — slechts een halve eeuw voor zijn geboorte — dwingen de Verenigde Staten het land om zich open te stellen naar de buitenwereld. Wat volgt is een turbulente confrontatie tussen conservatieve en progressieve krachten, met als uitwas een radicaal chauvinisme dat uitmondt in de Tweede Wereldoorlog. Dat is de wereld waarin Sōke Okuyama zijn vormende jaren kent.
In de jaren ’30 kan hij zich eindelijk verdiepen in de traditionele oosterse geneeskunde. Zijn eerste, en misschien wel meest invloedrijke leraar is Hirayama Ryozan. Hij is het die Okuyama kennis laat maken met keiraku (Chinese meridianenleer), shiatsu (vingerdrukpunten), dieetleer en anma (massage). Hier ligt de basis van zijn eigen Koho Shiatsu-methode. Hier wringt voor mij het schoentje: shiatsu als geneeskunde is immers een pseudowetenschap. Maar hier komen we later op terug. Voor nu volstaat het om te zeggen dat Okuyama zich in deze periode verdiept in de traditionele oosterse geneeskunde, en dat dit een belangrijke invloed zal hebben op zijn latere ontwikkeling van Hakkō Ryū.
In deze periode ontluikt ook zijn interesse in bujutsu, de krijgskunsten. Zijn connecties brengen hem bij Daitō Ryū Aiki Jūjutsu, de school die het gros van de inspiratie voor zijn eigen Hakkō Ryū zal vormen. Hij volgt les bij Matsuda Toshimi, die op zijn beurt les krijgt van Takeda Sokaku, de oprichter van Daitō Ryū. Naast Daitō Ryū beoefent hij in dezelfde periode andere krijgskunsten, waaronder jōjutsu (lange staf), nito-ryū kenjutsu (zwaardtechnieken), iaijutsu (trekken van het zwaard), sōjutsu (speer), kyūjutsu (boogschieten), kusarigama (sikkel met ketting) en shurikenjutsu (werpsterren). Uiteindelijk concludeert hij dat geen van deze scholen degene is die hij volledig wenst te doorgronden.
Okuyama meent overeenkomsten te ontwaren tussen zijn oosterse geneeskunde en de Daitō Ryū-technieken en begint ze na verloop van tijd als twee kanten van dezelfde medaille te beschouwen. Welbeschouwd zijn Hakkō Ryū en Koho Shiatsu de culminatie van dit idee.
3.2 De eerste dōjō
Of hoe Okuyama in de jaren dertig van de vorige eeuw zijn studie van Daitō Ryū Aiki Jūjutsu vervolmaakt en het pad van de zelfstandigheid kiest.
Na tien jaar studie en een kennismaking met de okuden, ofwel de verborgen, “geheime” technieken, ontvangt Okuyama omstreeks 1936 zijn instructeursdiploma van Daitō Ryū Aiki Jūjutsu. Het is in deze periode dat hij zelfstandig les begint te geven. Dit resulteert in zijn allereerste dōjō op het noordelijke eiland Hokkaido1; en slechts een jaar later zijn tweede in de hoofdstad Tokyo2. Hoewel de omstandigheden onduidelijk zijn, staat vast dat Okuyama rond 1939 met Daitō Ryū breekt en verder gaat met lesgeven onder de noemer Meishido. Met een zekere zin voor ironie zal Hakkō Ryū later een vergelijkbare breuk meemaken, maar daarover later meer.
Nuancering
Volgens de overlevering zou Daitō Ryū Aiki Jūjutsu (en bijgevolg ook
Hakkō Ryū) een formalisering zijn van de geheime leer van de Takeda
samurai-clan, doorgegeven van vader op zoon. Aanhangers dateren de
oorsprong ervan tot in de achtste eeuw, maar hiervoor bestaan geen
bewijzen. De geschiedschrijving begint pas bij Takeda Sokaku op het
einde van de negentiende eeuw.
Figuur 3.2: De
Takeda-mon van Daitō
Ryū.
Verder zijn de exacte omstandigheden van Okuyama’s betrokkenheid bij Daitō Ryū en zijn uiteindelijke breuk ermee moeilijk te achterhalen. In Black Belt-magazine schrijft Brian Workman3 dat Okuyama een belangrijke vertrouweling is voor Takeda: hij zou onder meer de titel van Dai shihan gedragen hebben, hoofdinstructeur geweest zijn en het beheer van de school op zich hebben genomen. Wanneer Takeda op zijn oude dag uiteindelijk zijn zoon als opvolger aanstelt, zou dit bij Okuyama tot wrevel en zijn vertrek geleid hebben. Anderen beweren dan weer dat Okuyama met zijn zorgvuldige kalligrafie de Daitō Ryū-diploma’s schrijft. Opmerkelijk: in zijn reisdagboek maakt de man zelf geen melding van dit alles; wel zegt hij ooit een vierdaagse training met Takeda gevolgd te hebben. Ook de Hakkō Ryū-website zwijgt er (diplomatisch?) in alle talen over. Even stil is het bij Daitō Ryū: zij verwijzen op geen enkele manier naar Okuyama.
Over de persoon Takeda zelf is het voor mij schier onmogelijk objectief te zijn. Over zijn karakter lijken de meningen verdeeld: van hen die hem ophemelen als weldoener tot anderen die hem als vervelend en gierig afschilderen. Klopt het dat hij per doorgegeven techniek een buitensporige som geld aanrekent? Klopt het dat Aikidō-stichter Morihei Ueshiba zijn volledige (verondersteld aanzienlijke) erfenis aan hem betaalt? Of valt het allemaal wel mee?
3.3 Ruggengraat van de draak
Hoe Hakkō Ryū Jūjutsu tijdens de moeilijke oorlogsjaren het levenslicht ziet.
Op 1 juni 1941 vindt de stichtingsceremonie van Hakkō Ryū plaats te Tokyo4. Met de geboorte van zijn geesteskind, de School van het Achtste Licht, neemt Okuyama de naam Ryūhō aan: Ruggengraat van de Draak.5 Zijn dōjō wordt uiteindelijk de Hakkō Ryū Kobujuku6.
Tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog onderwijst hij de toenmalige Japanse elite. Ter promotie verschijnt hij regelmatig in tijdschriften, geeft workshops en treedt hij op in radiotalkshows (iets wat hij nog jarenlang zal blijven doen).
Uit Okuyama’s schaarse publicaties van deze periode vallen bovendien zijn toenmalige, uitgesproken nationalistische gevoelens af te leiden. Rond het begin van de Tweede Wereldoorlog schrijft hij een manuscript over de “18 principes van zelfverdediging”. Naar verluidt is dit document, dat zich in de grijze zone tussen Daitō Ryū Aiki Jūjutsu en Hakkō Ryū bevindt, aanzienlijk minder vredelievend van aard dan we nu gewend zijn.
Naarmate de Japanse situatie in de oorlog verslechtert, worden de levensomstandigheden steeds precairder. In ’45 wordt Tokyo regelmatig gebombardeerd. Wanneer uiteindelijk ook Okuyama’s eigen dōjō uitbrandt vlucht hij de stad uit, naar zijn geboorteregio. Volgens de overlevering overleeft hij die periode met slechts één stukje tōfu per dag, slapend in de sneeuw met alleen een amado (houten schuifdeur) als beschutting. Erna sluit hij zich een tijdlang aan bij de Shugendō-sekte7 op de Haguro-berg.
Na de oorlog verhuist Okuyama Ryūhō terug naar Saitama nabij Tokyo, waar hij in 1947 een nieuw hoofdkwartier opricht: de Hakkō Juku Hombu. Hiermee hervat hij zijn bestaan als lesgever in de martiale kunst en ook als volksgenezer. Zijn andere leven, dat van de politicus, is afgelopen — om redenen die de lezer inmiddels duidelijk zullen zijn.
Deze ervaringen maken Sōke Okuyama tot een vernieuwer. Dit geldt zowel voor grote aspecten — zoals zijn pacifisme en openheid naar de buitenwereld — als voor kleinere, zoals het omarmen van gekleurde gordels of het bewust beperken tot slechts vijf dan-graden8. Door zich in te zetten om zoveel mogelijk shihans op te leiden, breekt hij verder met de conventionele geslotenheid van de oude bujutsu ryū. Hij is ervan overtuigd dat zijn Hakkō Ryū moet bijdragen tot harmonie en vrede in de wereld. Verder breekt hij met de traditie van rigide groepsonderwijs en geeft liever individuele, persoonlijke instructie.
3.4 Het achtste licht
Hoe filosofie het verschil maakt.
De grondslag van Hakkō Ryū, die voor de oorlog wordt gelegd, maakt al de synthese van medische en martiaal-technische kennis, met als centraal idee dat een beoefenaar confrontaties kan controleren zonder zijn aanvaller zwaar of blijvend te kwetsen. Dit doet hij door klemtechnieken en drukpunten te gebruiken die volgens de traditie gericht zijn op de meridianen van het lichaam uit de Chinese geneeskunde. Naar verluidt vindt deze aanpak reeds sterke weerklank bij de Japanse politie.
Na geconfronteerd te zijn met een meedogenloze oorlog, beslist Sōke Okuyama resoluut een ander pad in te slaan. Hij hervormt zijn school, op zowel technisch als filosofisch vlak. Voortaan zullen humanitaire principes ter zelfbescherming en een streven naar rechtvaardigheid de leidraad vormen. Bovendien is het de bedoeling dat deze principes doorschemeren tot in het dagelijks leven. Door een definitieve breuk te maken met de oude (op oorlogsvoering gerichte) krijgskunsten wordt Hakkō Ryū een gendai budō, een “nieuwe krijgskunst”. Dit resoneert sterk met mijn eigen ervaring op de mat: de technieken zijn niet alleen effectief, maar ook veilig en hebben een zekere elegantie.
Okuyama Ryūhō kiest de naam hakkō of “achtste licht” voor zijn jūjutsu-school. De naam heeft betrekking op het kleurenspectrum uit de natuurkunde. Volgens zijn filosofie kan je het verdelen in negen segmenten:
| infrarood | donkerrood | rood | oranje | geel | groen | blauw | indigo | ultraviolet |
| (1) | (2) | (3) | (4) | (5) | (6) | (7) | (8) | (9) |
| zon | ||||||||
| kracht | ontstaan | |||||||
De redenering gaat als volgt: Er zijn zeven zichtbare kleuren. Hiervan is rood de kleur van de zon; ze staat voor oprechtheid, beleefdheid, voorzichtigheid en eerbied. Tevens is ze de uitdrukking van nationale trots, Japan is immers het land van de rijzende zon. Aan het begin en het einde van het spectrum vinden we respectievelijk infrarood en ultraviolet. Samen vormen ze het achtste licht: niet zichtbaar voor het blote oog, maar verrassend krachtig (denk aan de effecten en toepassingen die ze hebben: van verbranden in de zon tot communicatie door de ruimte). Individueel representeren ze de twee aspecten van het achtste licht: Aan de basis illustreert infrarood de kracht en het geheim ervan, aan het andere uiterste staat ultraviolet (het keizerlijke paars) voor het ontstaan en de groei ervan.
Voor de invulling van de andere kleuren verwijst Okuyama naar het Nichiren-boeddhisme. Waar naar mijn mening de spirituele kant wat ver gaat (de vermeende verbinding tussen kleur en levensduur, persoonlijkheid, …), spreekt de simpliciteit van deze dualiteit, de metafoor van de opkomende zon en de nadruk op onzichtbare kracht me wel aan; het idee dat er een kracht in ons zit die we kunnen ontwikkelen en die we kunnen gebruiken om onszelf en anderen te beschermen zonder schade toe te brengen.
Het wapenschild (of mon) van Hakkō Ryū deelt deze betekenis. Van oorsprong afkomstig uit de Genji-hofhouding, stelt het de yotsume (vier ogen) voor: waakzaam tegen het kwade in alle windrichtingen. Shodai Sōke breidt die betekenis verder uit. Het geometrische ontwerp van acht ruiten bevat het achtste licht, dat persoonlijke bescherming geeft. De keuze voor het getal acht is evenmin toevallig: het vervult een belangrijke rol in de Japanse cultuur. Het karakter 八 kan bekeken worden als zou het uitdeinen naar de toekomst toe. Bovendien staat het voor “ontelbaar”: met de principes van Hakkō Ryū kan je oneindig veel technieken samenstellen. Tenslotte zou het getal ook weer bescherming bieden.
Deze numerologie kan verder worden doorgevoerd in het spirituele, maar dat is niet mijn bedoeling. Ik wil enkel de filosofische onderbouwing van Hakkō Ryū aanstippen, en de betekenis van de naam en het mon in het bijzonder. De rest laat ik graag over aan de lezer om zelf te ontdekken, daar het me persoonlijk wat te zweverig aan doet.
Geneeskunde
Op het hoogste niveau van Hakkō Ryū, zoals Okuyama het ziet, is er geen onderscheid tussen shiatsu en jūjutsu, en dit voor mij een belangrijk pijnpunt in de discpiline. Shiatsu is een pseudowetenschap en het is onethisch voor me om er geneeskrachtige eigenschappen aan toe te schrijven. Toch spelen de drukpunten zelf een belangrijke rol in onze zelfverdediging. Ik wil deze nuance niet verdoezelen, maar ze verder aanscherpen. Hedendaagse kennis noopt om de geneeskundige aspecten van Hakkō Ryū te nuanceren. Sporten blijft uiteraard gezond. Maar het bestaan van lichamelijke meridianen of ki is niet empirisch onderbouwd. Het is aannemelijk dat de echte werkzaamheid van de technieken bij anatomie, het zenuwstelsel, enzovoort gezocht moet worden. Naar eigen zeggen raadpleegt Sōke Okuyama nooit een dokter en geneest hij zichzelf met shiatsu (“Acupuncture with fingers”, artikel in de Akron Beacon Journal). Zijn zoon beweert patiënten met hersenbloedingen, beroertes en maagzweren te kunnen helen met drukpunten (interview in Aiki News nr. 83, 1990), terwijl de ware oorzaken en remedies voor deze aandoeningen al lang bekend zijn. Hiermee komen we onomwonden bij de pseudowetenschappen terecht. Zo zien we de historische context waarin Hakkō Ryū ontstond, en tegelijk de noodzaak om denkbeelden te blijven doorontwikkelen naarmate nieuwe inzichten dat vragen. Ik doe alvast mijn duit in het zakje.
3.5 Een bezoek
Okuyama reist de wereld rond om zijn kunst te onderwijzen. In zijn reisdagboek beschrijft hij hoe hij in België een warm onthaal krijgt. Deze passage ligt me na aan het hart.
In maart 1980 bezoeken Shodai Sōke en zijn zoon (de huidige Nidai Sōke) België. In zijn dagboek schrijft hij dat zij de enigen in het vliegtuig zijn met haori en hakama, en dat Antonio Garcia hen opwacht te Zaventem. Hij moet ruim een half uur wachten op zijn koffer. Vervolgens gaat het gezelschap naar een restaurant, waar Thierry Riesser hen vervoegt. Shodai Sōke is opgetogen om met hem enkele woorden in het Japans te kunnen uitwisselen. Bovendien is hij te spreken over de talrijke aanwezigen. Tijdens de treinreis naar zijn verblijf bij Antonio Garcia thuis ziet hij enkele Japanse kerselaars, die hij als “verdrietig en eenzaam” omschrijft. Naar verluidt heeft Garcia geen benul van de Japanse keuken; hoe dan ook begint zelfs Okuyama hardgekookte rijst te waarderen, althans na verloop van tijd. Tijdens een bezoek aan de kathedraal van Hasselt reflecteert hij over de ontberingen, de flitsen van genialiteit en het heldendom van het Belgische oorlogsverleden, van de Napoleontische tot de wereldoorlogen. Hiernaast bezoekt hij onder meer ook Aken en Maastricht. Natuurlijk worden er ook trainingen gegeven: Okuyama beschrijft honderden deelnemers, tussen vijf en zestig jaar oud, uit België en omstreken. Ze zijn beleefd en trainen hard. Als ze proberen om karate of Aikidō te imiteren, worden ze onmiddellijk gecorrigeerd met “een zeer pijnlijke techniek”. Tot slot volgen naar gewoonte een aantal demonstraties, “onder luid applaus en gelach tot het einde”. Hij vindt het opvallend om tweehonderd mensen op de tribune te zien. Tussendoor geeft hij een (vertolkt) televisie-interview, en wordt op het gemeentehuis ontvangen door de toenmalige Hasseltse burgemeester. Hij tekent het gastenboek van de stad met “Hakkō Ryū vliegt de wereld in, Shodai Sōke Okuyama Ryūhō”.
Al is het op dit moment nog enkele jaren wachten tot mijn eigen geboorte, doet dit hoofdstuk van de Tabi nikki me beseffen hoe nabij de geschiedenis van Hakkō Ryū is, en dat ik er zelf een bescheiden deel van ben.
3.6 De diaspora
Hoe de oorspronkelijke school na Shodai Sōke versplintert, maar niettemin in ere gehouden wordt.
Na een leven van toewijding ruilt Shodai Sōke Okuyama Ryūhō in 1987 het tijdelijke voor het eeuwige. Alvorens het zover komt, zorgt hij ervoor dat Hakkō Ryū blijft voortbestaan. Hij onderwijst zijn systeem aan een zo breed mogelijk publiek over heel de wereld. De buitenlandse verspreiding van Hakkō Ryū begint rond de jaren ’60 met enkele Amerikaanse militairen die in het bezette Japan gelegerd zijn en de kunst mee naar huis nemen. In de jaren ’70 brengen de Aikidōka Roland Maroteaux en Thierry Riesser haar naar Frankrijk en zo naar Europa.
Hiernaast zorgt Okuyama ervoor dat zijn zoon, Nidai Soke Okuyama Toshio, de fakkel kan overnemen. Deze laatste heeft sinds 1986 de leiding over de ryū in het hoofdkwartier van Hakkō Ryū, de Hakkō Ryū So Hombu Dojo, in Saitama. Dit is het moment waarop de eerste barsten in de organisatie zichtbaar worden. De nieuwe Sōke voert namelijk een aantal veranderingen door, zowel in de technische als in de organisatorische aspecten van de school. Waar Shodai Sōke een meer open en flexibele aanpak hanteert, verwijt een deel van de leden dat Nidai Sōke voor een meer gesloten en hiërarchische structuur kiest. Zij vinden dat Nidai Sōke een aantal van Shodai Sōke’s innovaties ongedaan heeft gemaakt. Hun toenemende frustraties leiden uiteindelijk tot een breuk. Een kleine groep stopt om nooit meer terug te komen, terwijl sommigen actief worden uitgesloten omdat ze de nieuwe regels niet volgen. Uit deze turbulentie staan enkele personen op om de waarden en technieken van Shodai Sōke, althans zoals zij die zien, te herstellen. Zo ontstaan verschillende nieuwe verenigingen. Hoewel ze onder een andere naam en buiten de originele hombu om opereren, dragen ze de erfenis van Shodai Sōke Okuyama Ryūhō met zich mee.
Het is moeilijk voor mij om volledig onbevooroordeeld te zijn; ik train immers zelf binnen een van de afgesplitste scholen. Hoe dan ook, het is duidelijk dat deze nieuwe verenigingen een belangrijke rol spelen in het behoud en de verspreiding van Hakkō Ryū. Ze bieden een alternatief voor degenen die zich niet kunnen vinden in de richting die Nidai Sōke heeft gekozen, en houden op hun eigen manier de kunst mee in leven. Tegelijkertijd is het jammer dat er zoveel verdeeldheid is ontstaan, en dat sommige mensen zich buitengesloten voelen van de gemeenschap.
Laten we afsluiten met mijn eigen plaats in de diaspora en de lijn van doorgifte traceren vanaf Shodai Sōke. Deze gaf les aan Thierry Riesser, die les gaf aan Antonio Garcia. Deze laatste werd later een directe leerling van Shodai Sōke en werd zijn vertegenwoordiger in Europa. Garcia op zijn beurt onderwees Fred Horemans en benoemde hem tot Dai shihan. Het is in de dōjō van Horemans dat ik mijn eerste stappen in Hakkō Ryū zette, en als shihan de kunst verder doorgeef.